Belevenissen

Als je regelmatig buiten komt, verzamelen zich in je hoofd vanzelf verhalen: observaties, kleine gebeurtenissen, avonturen in de natuur.

De volgende column schreef ik voor het radioprogramma Vroege Vogels:

Zondagmiddagbos

Wat is er eigenlijk zo leuk aan de natuur? Goeie vraag! Vooral wanneer je op een zondagmiddag tijdens familiebezoek een min of meer verplichte boswandeling moet maken. Dat is een beetje alsof je een theater binnenloopt waar de toneelvoorstelling juist is afgelopen: het decor staat er nog, maar er is niets meer te beleven. Ook in zo’n zondagmiddagbos zijn de meeste vogels helemaal uitgefloten en de weinige zoogdieren die in ons land voorkomen laten zich op dit tijdstip echt niet zien. Daarbij bestaan veel van onze bossen uit jonge bomen, zonder bijzondere vegetatie. Want als gevolg van veertig jaar vermesting is de ondergroei beperkt tot stikstofliefhebbers als gras, zevenblad of bramen. Saaiheid is mede daardoor een van de kenmerken van de Nederlandse natuur. Alleen in een film zijn de Oostvaardersplassen een spannend dierenparadijs. Vanuit de trein zie je alleen maar een kale vlakte met halfdode, kaalgevreten bomen. Wie als Nederlander ooit een Amerikaans natuurpark heeft bezocht, zal verbaasd hebben gestaan over de vele herten en verschillende soorten eekhoorns die zich daar zomaar laten zien. De Nederlandse natuur is sterk verarmd. Ik zal uw stemming nu niet verder bederven door hier over uit te weiden, maar noem het alleen als een aansporing om wat vaker naar paddenstoelen te kijken. Dan verandert namelijk het Nederlandse landschap op slag. Kijk je naar vogels dan word je horizon regelmatig vervuild door hoogspanningsmasten, windmolens en bedrijvenparken, maar bij het zoeken naar paddenstoelen blijft je dat bespaard, omdat je blik gericht is op de grond. Veel belangrijker echter is dat Nederland in één klap weer spannend wordt. Want paddenstoelen zijn in hoge mate onvoorspelbaar en het is vaak niet te zeggen waar ze zullen opduiken. Daardoor kunnen in ons aangeharkte land op de meest onwaarschijnlijke plekken onvermoede schatten te vinden zijn. In een stadstuin, een plantsoen of plantenbak, langs een wegberm of op een dijktalud en vanzelfsprekend in bos, hei en duin. Overal kan je voor verrassingen komen te staan.

Dat bleek ook bij de paddenstoeleninventarisatie van Drenthe. Deze provincie beslaat 2800 kilometerhokken, dus 2800 vierkantjes van 1 bij 1 kilometer. Met een klein groepje mensen hebben we al die hokken één of meerdere keren bezocht. Collectief gekkenwerk, dat alleen mogelijk is omdat karteren zo verslavend werkt. Want het combineert een aantal drijfveren: allereerst de fascinatie voor de natuur, in dit geval paddenstoelen, maar ook de drang om een prestatie te leveren, zeg maar een soort natuursport en als derde is er een boekhoudkundig genoegen: je legt iets vast, je observaties gaan niet verloren. Voor Drenthe zijn de resultaten van al die inspanningen vastgelegd in een atlas in drie delen met in totaal 1700 bladzijden van een hoog wetenschappelijk gehalte. Hoewel we het zo levendig mogelijk hebben opgeschreven, is er in zo’n boekwerk geen plaats voor aardige anekdotes of een treffende gedicht. Terwijl ik als tekstschrijver daar nou juist het grootste deel van mijn leven mijn brood mee heb verdiend. Soms was het wat frustrerend dat daar geen ruimte voor was. Hier volgt een anekdote die ik er graag in had willen hebben:

 

Tijdens de inventarisaties voor de Drentse Atlas liep ik op een grijze novemberdag in het zuidoosten van Drenthe in een kilometerhok dat vooral uit akkers en weilanden bestond. Alleen bij een dorp lag een kleine bosje. Omdat het boerenland sinds de jaren vijftig heel arm is aan paddenstoelen, concentreerde ik me op dat bosje. Maar het begon al te schemeren, dus ik moest voortmaken en liep wat voorovergebogen naar de grond te turen. Ik had wel kinderstemmen gehoord en vanuit mijn ooghoeken wat spelende kinderen gezien, maar besteedde er geen aandacht aan. Ik wilde net een russula bekijken toen er ineens een meisje van een jaar of tien voor me stond. Ze kijkt me mij met grote schrikogen aan en vraagt: Meneer … bent u kinderlokker? Kinderlokker?! Even ben ik uit het veld geslagen, dan schiet ik in de lach: Nee jôh, ik kijk naar paddenstoelen. Kijk, hier op deze lijst vul ik alle soorten in die ik hier vind. Inmiddels waren de andere kinderen er ook bij komen staan. Weet je wat?, zei ik, ik geef 20 cent voor elke soort die ik in dit bos nog niet heb gevonden. Nou, dat vonden ze het leukste wat ze in weken hadden gehoord. Ze stoven weg. En binnen de kortste keren kwamen de eersten al weer terug: Meneer, meneer, heeft u deze al? En deze meneer, deze grote? Ik had nog nooit zo effectief een bosje uitgekamd. Ik stond alleen maar soorten te noteren. En controleerde even of ik wel voldoende kleingeld bij me had. Na een minuut of tien nam de frequentie waarmee ze vondsten aandroegen duidelijk af. Ik telde alles op en rekende een kleine vijf euro af. Zeer tevreden gingen we uit elkaar.

Ik begon dit stukje over de saaiheid van een zondagmiddagbos. Maar nu we voor het eerst sinds jaren weer eens een natte septembermaand hebben, worden veel bossen opgesierd door tientallen soorten paddenstoelen. Als ik u was, zou ik deze kans aangrijpen om er eens lekker op uit te gaan. U krijgt geen 20 cent per soort, maar ook zonder deze financiële prikkel zult u ongetwijfeld een aangename middag kunnen hebben. Veel plezier!

Rob Chrispijn