Harlekijn

Herman + muzikanten voor hoofdkwartier van Harlekijn Holland in Westbroek (uiterst links, vertaler Thomas Woitkewitsch. Uiterst rechts: Rob Chrispijn)

 

Harlekijn is al 50 jaar de productiemaatschappij van Herman van Veen. Om dat te vieren stond Herman eind vorig jaar een avond in Carré met heel veel mensen die belangrijk zijn of waren voor Harlekijn, zoals Harry Sacksioni, Nard Reijnders, Lori Spee en dochter Anne van Veen.
Om een indruk te geven hoe het er in de beginjaren van Harlekijn aan toeging, las ik de volgende column voor:

Wuppertal

De eerste keer dat ik op het kantoor van Harlekijn kwam, viel me vooral op hoe fanatiek er werd getafeltennist. Ik was daar om met Herman van Veen en Laurens van Rooyen te praten. Ik zou namelijk voor Harlekijn – de productiemaatschappij van Van Veen – jonge artiesten gaan begeleiden. Dat ik zoiets nog nooit van mijn leven had gedaan, was voor Herman en Laurens geen enkele belemmering. Zo kwam ik later ook bij de voorstelling om de volgspot te bedienen en een filmprojector, die op een enorme witte ballon een even grote goudvis naar adem liet happen, terwijl Herman zong  ‘en al is zijn kom te klein, hij krijgt op tijd zijn eten, hij zou tevreden moeten zijn!’
Die beginjaren bij Harlekijn voelden als een jongensboek: zeven jongens en een oude schuit, bezig om de wereld te veroveren.
Eerst Nederland – dat ging niet zonder slag of stoot. Tijdens de feestelijke presentatie van Goed voor een Glimlach, Hermans vierde elpee, in de Singer Concertzaal in Laren kwam Max, Hermans toenmalige manager, lijkbleek binnen. Herman zou de volgende dag voor het eerst drie weken in Carré staan. Dat was toen ongehoord voor een artiest van net 25 jaar. Max vertelde dat er voor de eerste avond slechts 200 kaarten verkocht waren. En dat in een zaal waar er ruim 1600 in kunnen! Deze onheilstijding zorgde voor een flinke domper. Iedereen zat er te- neergeslagen bij, tot Herman een peptalk gaf: wij zouden Amsterdam eens wat laten zien! Hij wilde wedden dat het de week daarop al vol zou zitten. Iedereen veerde op en Herman kreeg gelijk: aan het eind van de serie was Carré finaal uitverkocht.
Bij Harlekijn was veel mogelijk. Lichtman Gerard Jongerius greep zijn kans om het vak theaterbelichting in Nederland naar een hoger plan te tillen. Dat trok de aandacht. Focus, een popgroep met Thijs van Leer en Jan Akkerman, had een wereldwijde hit en zou op tournee gaan naar Japan. Ze vroegen Gerard om voor hen het licht te doen – een fantastisch avontuur. Alleen had van Veen in diezelfde periode een tournee in Duitsland. Herman vond dat ik het dan maar van Gerard moest overnemen: ik kende zijn voorstelling immers uit mijn hoofd. Dus volgde een stoomcursus lichttechniek om mijn weg te leren vinden op een mengtafel en te weten welke schuiven ik moest bedienen.
Dat ging me een aantal voorstellingen redelijk goed af. Tot we in Wuppertal kwamen. Ik droom er nog wel eens van. Als ik zwaar getafeld heb. In Wuppertal stond een mooi maar zeer ouderwets theater waar het licht bediend moest worden via grote ijzeren hendels in een hok zonder uitzicht op het toneel. De twee Duitse technici waren dit gewend en vroegen om een lichtplan. Lichtplan?! Daar had ik nog nooit van gehoord. Terwijl we in een Wuppertalse Gaststätte eerst nog een hapje gingen eten, probeerde ik verzenuwd in drie kwartier een lichtplan te schrijven: opkomst Erik: blauw tegen 70%, Herman op: tegenlicht wit, dan micro 90%… het was onbegonnen werk. Ik kwam terug in het theater met een half lichtplan, handgeschreven en vol doorhalingen. Eén van de technici wierp er één blik op, riep ‘Scheisse’ en maakte zich vol walging uit de voeten. De ander bleef, hij had kennelijk met me te doen.
De ijzeren hendels besloegen een vier meter brede wand, dus je moest heen en weer rennen om de verschillende spots aan- en uit te zetten. Daarbij moest ik regelmatig uit het raam hangen om om de hoek te kunnen kijken om te zien wat zich op toneel afspeelde. Wanhopig rende ik in het lichthok heen en weer. ‘Rood, rood!’, schreeuwde ik tegen de Duitse technicus en dan ramden we een aantal hendels omhoog. ‘Schnell, donkerslag, schnell!’ Mijn Duits liet me volkomen in de steek en de man raakte er steeds meer van overtuigd dat ik niet goed bij mijn hoofd was. Normaal dient het theaterlicht een artiest te ondersteunen, maar in dit geval was het alleen maar een obstakel. Hoe hard ik ook heen en weer rende, ik was steeds te laat. Na afloop had ik tranen in mijn ogen. ‘Sorry, Herman’, zei ik. Hij begreep het wel, maar je kon zien dat hij geen makkelijke avond had gehad. Het is op dit soort momen- ten dat ik het meest de kracht en de moed van artiesten bewonder.
Het lijkt natuurlijk prachtig om in de spotlights te staan, maar het is maar goed dat je als publiek niet weet hoeveel bloed, zweet en tranen dat soms kost. Vooral wanneer je als artiest maar moet afwachten of die spotlights wel op tijd aan- en uit gaan, zoals toen in Wuppertal.