Liedteksten

Als voorwoord in de bundel met liedteksten Nooit zongen vogels harder schreef Herman van Veen het volgende:

Toen ik zelf nog nauwelijks teksten schreef, zong ik vooral op maat gemaakte woorden van Willem Wilmink en Rob Chrispijn. Willem was in die dagen leraar Nederlands en Rob fotograaf. Willem doopte zijn pen voornamelijk in herinneringen, Rob in beschouwingen. We waren alle drie bijna even oud. Kwamen uit dezelfde soort familie. Eenzelfde buurt. Kon me gelukkig prijzen met zulke makkers.

In de teksten van Willem zit bijna nooit een opvatting, in die van Rob wel. Hij is heel specifiek, laat geen ruimte voor misverstanden. Hij is een scherp waarnemer. Hij schreef en schrijft vanuit de traditie van de beat-dichters. Slim, nuchter en grappig. Niet anders dan de bijzondere fotograaf die hij is.

Robs woorden blijken tijdloos. Want zou je ook vandaag niet kunnen zingen:

En iemand doet zijn ogen dicht
en houdt zich maar gedeisd.
Liever laf en levend
dan een held tot elke prijs.

Annie M.G. Schmidt, Willem Wilmink, Rob Chrispijn, Thé Lau, Huub van der Lubbe, zij zijn erfgoed.

Kletsnatte clowns

Dit lied is een verbeelding van alledaagse gekte waar we zo gewend aan gewend zijn geraakt dat we het soms niet meer zien. Herman van Veen en Erik van der Wurff maakten er muziek op die mij erg verraste.  Terwijl ze hier mee bezig waren, werkte ik in de donkere kamer op het hoofdkwartier van Harlekijn in Westbroek. Onder het afdrukken van persfoto’s dacht ik dat ze met een heel ander nummer bezig waren. Maar toen Herman me kwam halen om te komen luisteren, was ik sprakeloos. Mede dankzij hun muziek is het een van mijn favoriete nummers.

Kletsnatte clowns

Er lopen kletsnatte clowns in een optocht
maar de mensen langs de kant dragen veel betere maskers
tegen weer en wind bestand.
Zelfs de vrouw van de bakker verbergt haar blauwe plekken
Het leed gaat keurig aangekleed over straat
en in de tram en ondertussen
valt de regen
en kinderen stoppen hun laarzen lekker in iedere plas
en moeders die klagen en vegen kinderen schoon aan het gras.

Men collecteert voor de oorlogsbestrijding,
de straten zijn versierd.
Heren weten dat geld gaat rollen
zodra men de teugels viert.
In het park staat een standbeeld van een dief uit 1600
Het loon van stelen in het groot.
Iedereen kijkt opeens omhoog.
Honden vluchten, de lucht betrekt en lijkt van lood.
Moeders proberen te schuilen,
de hemel huilt van geluk.
Dat lucht op.
Het weerlicht: God maakt een foto
van een stad onder druk.

Dertig manieren om borsten te verpakken,
rubber en seks in blik.
Winkels vol roze suikerbeesten.
Mensen maken zich dik.
Uit de muur haalt een man een bal met gele kledder.
Spreeuwen controleren wat ie weggooit.
Het eten ligt hier op de grond.
De straten glimmen als zilveren spiegels,
de stad is een kuil
waar auto’s verdrinken in stinkende plassen
vol olie en vuil.
En kinderen soppen hun kaplaarzen lekker in iedere plas
en moeders die klagen en vegen hun kinderen schoon aan het gras.